De perfecte slag

            – De perfecte slag –

Er was bijna niemand op de baan. Ondanks het fantastische ijs en de ijskoude wind die voor het eerst die dag wat afgenomen was. In de kantine was het warm en druk. De vertrouwde geur van zweet, alcohol, petroleum, warme chocolademelk en soep, zo af en toe weggeblazen door een vlaag vrieskou die door de openslaande deur naar binnen rolde, gevolgd door een schaatser die vond dat het genoeg was voor vandaag. Op de grote houten tafel midden in de kantine stond een krat bier. Daaromheen een stel jongens in spijkerbroek. Grote verhalen, de schaatsen nog aan hun voeten. Het volume van de muziek en de verhalen nam toe, de ramen besloegen, er werd een nieuwe krat op tafel gesmeten en ik strikte zwijgend de veters van mijn schaatsen, klaar om de kou in te gaan. Omdat er nu ijs lag en het ondenkbaar was er niet op te schaatsen zo lang dat kon.

Buiten was het stil. Er brandde slechts één lichtmast, wat meer dan de helft van de baan in het zilverblauwe licht van de volle maan deed baden. Vanaf hier vervormden de mensen achter de beslagen ramen van de kantine tot vage silhouetten. De muziek van binnen werd naar buiten gebracht door een luidspreker met een blikkerig geluid. Ik was helemaal alleen.

De kou was heftiger dan ik had verwacht en trok omhoog via mijn voeten, die pijn deden, wat een lichte kramp veroorzaakte in de kuiten die toch al op spanning stonden vanwege het vele schaatsen, al dagenlang, omdat elke dag de laatste keer kon zijn dat het kon. Maar ook omdat je klaar moest zijn voor de grote tochten die er hopelijk snel gingen kopen.

De eerste slagen, onwennig als een eerste danspas met een nog nuchter hoofd in een discotheek. Het lichaam weer overeind, de zoektocht naar ontspanning, opnieuw inzakken, zoeken naar de hardheid die nodig is jezelf over dat dode punt te duwen op weg naar dat gevoel waarvan je weet dat het de moeite waard is om voor te lijden.

Mijn ijzers boemelden over het licht geribbelde ijs. De wind, die aantrok, blies poederachtige sneeuw in kleine kolkjes over de baan. Langzaam kwam er een ritme, vond ik ontspanning, elke ronde een beetje meer. Langs de kantine, die langzaam leegliep, de bocht in, een beetje versnellen, dan opgeslokt door de zilverblauwe duisternis het rechte stuk op langs een rij bomen en struiken die zwart in de met sterren bezaaide hemel prikten. Vervolgens met tegenwind de andere bocht in en opnieuw langs de kantine en zo weer verder, ronden lang.

Het gebeurde geleidelijk, maar zomaar opeens was daar het besef van een perfecte slag. Krachtig en toch vol ontspanning. Ik gleed een welhaast meditatieve toestand in waarin lichaam en geest versmolten in een martiale beweging. Geen ingewikkelde gedachten, geen besef van tijd en plaats, alleen maar de eenvoud van die verslavende schaatsbeweging. Het voelde alsof ik opging in deze nacht die wederom bitterkoud zou worden. Als een klein deel van een groter geheel dat ik niet kon benoemen, maar wat me op de een of andere manier volstrekt gelukkig maakte. Er waren alleen de wind, de kou, het ijs, de stilte, de hemel en ik: de schaatser.

Heel even dacht ik aan mijn vader. Mijn vader en ik die niet veel deelden, behalve dan het schaatsen. Ik wenste dat hij nu achter mij zou rijden. Dat hij mijn slag zou zien die hem trots zou maken. Ik keek naar de heldere hemel, die bijna kraakte van de kou, naar de sterren en wenste een kinderlijk geloof in de bescherming van al die sterren waarvan er één special naar mij keek en zomaar opeens voelde ik heel sterk de eenzaamheid van deze verlaten baan. Een gevoel dat ergens pijn deed, maar niet sterker was dan de sensatie van die perfecte slag waarvan het de vraag was of die ooit nog terug zou komen.

Joost-Jan Kool (rechts op de foto)

Joost-Jan Kool