– OERGEVOEL –

 

De Weissensee ontwaakt: van het ochtendgloren tot het schemerduister bewegen duizenden silhouetten zich in een traag ritme over de witte vlakte. Elk stipje is een schaatser die urenlang strijd levert met de elementen. Met zichzelf. Maar het is meer dan een gevecht: hij heeft een krachtig oergevoel in zichzelf wakker gemaakt: schaatsen op natuurijs. Op instinct glijdt hij kilometer na kilometer over hard, zwart ijs en ervaart wat alleen zij kennen die het hebben meegemaakt. 

 

Het is onzeker schaatsen in het niets. Een mijnwerkerslamp tekent een zuinige lichtkegel op het ijs waarmee de ergste scheuren worden vermeden. De helmlampen geven de schaatsprocessie een sprookjesachtige aanblik. Maar de stramme spieren en de snijdende kou doen weinig feeëriek aan. Zwijgend zetten de schaatsers de beweging in die ze de komende uren eindeloos blijven herhalen: been plaatsen, afzetten, been terughalen en weer plaatsen. Het gekras van de schaatsen hooguit onderbroken door de gesmoorde kreet van een onfortuinlijke. De anderen weten: vroeg of laat wacht mij hetzelfde lot, vallen is onvermijdelijk.

Het lijnenspel en de voornamelijk primaire kleuren doen denken aan een schilderij van Piet Mondriaan, de afzet aan de sierlijke streken van een penseel. Verticale en horizontale lijnen ontmoeten elkaar. De licht voorovergebogen houding spot lichtjes met de abstractie. Minder onstoffelijk is de tergende pijn in de lage onderrug die de schaatshouding na enkele uren onvermijdelijk met zich meebrengt, de kramp in de kuiten, de beurse knieën na de zoveelste valpartij. Maar de worsteling wordt niet in eenzaamheid volbracht. De luwte van de rug van een voorganger kan troostend werken, net als de vliegende rakken voor de wind, waar de kilometers snel verslonden worden.

Het rollende geluid van scherp geslepen ijzers over kraakhelder ijs is bijna magisch. Het levert momenten van vervoering op, van euforie. Het is meer dan de kick van de snelheid. Het is dat ondefinieerbare oergevoel. Maar gevoel zou geen gevoel zijn als het niet bedrieglijk zou zijn. De strenge vorst zorgt voor een betrouwbare, dikke ijslaag, maar zet ook een enorme spanning op het ijs. Het ijs buigt lang, maar het zal uiteindelijk barsten. Menig rijder heeft in opperst genot op volle snelheid in zo’n verraderlijke scheur zijn enkelbanden ongezond ver opgerekt. 

Het is werken, zweten, vallen, opstaan, weer vallen en doorgaan. Plotselinge hevige sneeuwval wordt bijna apathisch ondergaan, de schaatsen machinaal ploegend door de groeiende sneeuwlaag. De geestestoestand is er een van lethargie, de schaatsbeweging volledig werktuigelijk. Gedachten die eerst nog breed uitspinden, het hele bestaan omvatten, vernauwen zich gaandeweg van droombeelden over een warm bed, over een dampend bad, tot de directe omgeving, tot de besneeuwde rug voor je, en vinden uiteindelijk het ultieme brandpunt: de finish.

Nog 5 ronden, nog 4, nog 3… Die eindlijn, met z’n onwerkelijke groene en oranje bogen, die eigenlijk niet in deze besneeuwde, mistige, mysterieuze wereld thuishoren. Het is bij eerdere doorkomsten een storende herinnering aan de vele ronden die nog moeten worden afgelegd, maar het perspectief verschuift richting het einde. Die streep wordt gaandeweg een baken van hoop. Het hoofd begint de gedachte aan die streep te omhelzen, het idee dat voltooiing nadert geeft kracht om die eindeloze beweging ook de laatste kilometers nog vol te houden. Dan doemt het groen en oranje voor de laatste keer op in de mist. Het doffe gevoel van uren ploeteren maakt plaats voor een matte blijdschap. De vermoeidheid verbiedt al te grote uitbundigheid. De armen gaan traag omhoog, maar van binnen voelt de schaatser de ultieme voldoening die het rijden van een monstertocht van 200 kilometer met zich meebrengt. Hij heeft dat oergevoel weer ervaren.

 Fotografie (c) Vincent Riemersma Tekst (c) Johan Boef